Zorg voor onszelf?
Aan het begin van deze eeuw lijken de eigen kracht van jeugdigen en ouders en de kracht van hun omgeving zowel uitgangspunt als doel van het jeugdbeleid en de praktijk. Welke theoretische en ideële concepten liggen hieraan ten grondslag? Is Nederland ‘over-geprofessionaliseerd’ als het gaat om opvoeden en opgroeien? Kan je simpelweg een deel van de professionals door vrijwilligers vervangen? Zijn we op zoek naar (nieuwe) opvoedingsidealen: van actief burgerschap tot alles eruit halen wat er in het individuele zelf zit? Of is het een vertaling van een steeds dominantere maatschappij- en mensvisie: iedereen kan alles, en wanneer dat niet lukt ben je zelf verantwoordelijk? Of is de roep om zorg voor onszelf toch niet meer dan een dekmantel voor bezuinigingen? En biedt jeugdbeleid en praktijk gericht op eigen kracht en zorg vanuit de directe omgeving, meer of juist minder kansen voor jeugdigen en de samenleving?

Deze vragen hebben Heleen Jumelet en Jolien Wenink voorgelegd aan een keur aan schrijvers, onderzoekers en professionals die in de dagelijkse opgroei- en opvoedpraktijk werkzaam zijn. De essays zijn gebundeld, het boek is een must voor iedereen die betrokken is bij opvoeden en opgroeien van jeugdigen en de wijze waarop wij in Nederland onze jeugdigen als samenleving tegemoet treden.

Ook NJR is door Jumelet en Wenink gevraagd om een essay te schrijven. Op NJR Professionals delen we dit essay. Het boek Zorg voor onszelf? Eigen kracht van jeugdigen, opvoeders en omgeving, grenzen en mogelijkheden voor beleid en praktijk is hier te bestellen.

Jongeren als dragers van de pedagogische civil society: The Missing Link?!  


“Everything should be made as simple as possible, but not simpler”

Albert Einstein

Inleiding
Het jeugdbeleid wordt door het Rijk gedecentraliseerd[i]. De gemeenten maken zich op voor deze nieuwe rol en verwachten daarbij een actievere rol van burgers. Dit komt goed naar voren in de nauwelijks bij te benen stroom aan congressen en publicaties over het ‘nieuwe jeugdbeleid’, waarbij het begrip pedagogische civil society vaak valt. De pedagogische civil society draait om ‘het bevorderen van de gemeenschappelijke activiteiten van burgers rondom het grootbrengen van kinderen’ (Kesselring, 2010). Opmerkelijk genoeg wordt hierbij één vraag nauwelijks gesteld, laat staan beantwoord: welke rol kunnen jongeren in deze pedagogische civil society spelen? In dit essay ligt de focus op het benutten van het potentieel en de inzet van deze specifieke groep burgers en hun organisaties.

Hoe kan het potentieel van jongeren en jongerenorganisaties worden benut om de eigen kracht van kinderen en jongeren te versterken? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan? Welke begrenzingen treden erop?

Dat benutten kan op twee manieren. Ten eerste kan dat wat er al is, goed worden gebruikt en ten tweede kan dat wat er in aanleg is maar er nog niet ‘uitkomt’, worden aangewakkerd en versterkt. Een vorm van coaching of ondersteuning is daarbij onontbeerlijk.

Kinderen en jongeren: een wereld van verschil
Het gebrek aan aandacht voor de mogelijke rol van jongeren(organisaties) in de pedagogische civil society is opvallend, omdat onderzoekers en professionals wel onderkennen dat leeftijdsgenoten een grote rol spelen in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Zij wijzen op de betekenis die kinderen en jongeren voor elkaar hebben en de invloed die ze uitoefenen op elkaars keuzes en gedrag (Naber, 2004). Zeker voor jeugdigen in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar zijn peer groups de belangrijkste (beïnvloeding)milieus (NJR, 2010b; Van Oenen & Van Westering, 2010). Daarnaast blijkt uit onderzoek onder jongeren dat zij zich graag vrijwillig willen inzetten voor een ander, zij het liefst op hun eigen voorwaarden en op een manier die op hun leefwereld is afgestemd (NJR, 2005). Er is dus géén sprake van een gebrek aan potentieel.

Heeft het gebrek aan aandacht voor jongeren als spelers in de pedagogische civil society wellicht te maken met het maken van te weinig onderscheid tussen kinderen en jongeren? Het zijn wezenlijk andere doelgroepen. Zij verkeren in verschillende ontwikkelingsfasen, met verschillende ontwikkelingsopgaven, beïnvloedingsmilieus en bijhorende risico’s (Van Oenen & Van Westering, 2010). Kinderen richten zich sterk op hun ouders, terwijl jongeren zich juist steeds meer van hun ouders losmaken. Naarmate jongeren ouder worden dragen ze niet alleen meer verantwoordelijkheid voor het eigen welbevinden, maar ook krijgen ze steeds meer invloed op elkaars gedrag en keuzes.

Dit is voor veel (praktijk)professionals en wetenschappers vanzelfsprekend. En ook voor ouders is het zo langzamerhand gemeengoed. De diverse (populairwetenschappelijke) publicaties over de puberteit en het puberbrein hebben zeker bijgedragen aan het begrip van ouders voor de ontwikkelingsstadia van hun opgroeiende kind. En toch wordt dit onderscheid weinig gemaakt in de discussies over de betekenis en invulling van de pedagogische civil society. Is dit (louter) een terminologiekwestie? Benaderen we jongeren teveel op dezelfde manier als kinderen? Of worden jongeren niet geschikt geacht als opvoeders en wordt daarom het onderscheid niet of onvoldoende gemaakt?

Jongeren in de rol van ‘opvoeders’: dagelijkse praktijk
De positie van ouders/verzorgers als belangrijkste opvoeders staat buiten kijf. Opvoeden sluit aan bij het overdragen van normen en vanuit die normen grenzen stellen. In een gezond opvoedklimaat worden kinderen en jongeren positief beïnvloed. Ze worden aangesproken op hun potentieel en daarin uitgedaagd, geconfronteerd met de gevolgen van hun gedrag en soms ook gedisciplineerd. Hoe zit het dan met de schijnbare tegenstelling tussen opvoeden en beïnvloeden? Opvoeden, als klassiek begrip, lijkt te draaien om bijbrengen/conditioneren/opleggen in een hiërarchische relatie. Beïnvloeden gaat uit van een meer gelijkwaardige positie waarin hiërarchie of formele machtsmiddelen geen rol spelen. Resultaat wordt bereikt door onderhandelen, argumenteren en eventueel manipuleren. Onder de opvoedingsstijlen die wetenschappers onderscheiden is er één die succesvol is op het gebied van beïnvloeding: de zogenaamde autoritatieve opvoedstijl. Deze stijl onderscheidt zich niet wezenlijk van de beïnvloeding van jongeren door leeftijdsgenoten, die ook een niet-hiërarchisch karakter kent en gepaard gaat met een arsenaal aan beïnvloedingsmiddelen. De laatste jaren is het steeds gewoner geworden om met kinderen en jongeren over de inhoud van normen en grenzen te praten. Ook worden jeugdigen veel positiever benaderd: er is oog voor hun kansen en talenten, eerder dan voor tekortkomingen of problemen (Ketner e.a., 2011).

Als kinderen en jongeren geen gezond opvoedklimaat wordt geboden of opvoeders en professionals krampachtig proberen jongeren te beïnvloeden, neemt het belang van leeftijdsgenoten als beïnvloeders meer toe dan op basis van het ontwikkelingsstadium mag worden verwacht. In de meest extreme gevallen vult de directe omgeving deze lacune niet op. Als het onderwijs evenmin greep op deze jongeren weet te krijgen, zijn ze volledig op elkaar aangewezen en gaan ze in groepsverband elkaar ‘opvoeden’. Dagelijks blijkt dat dit kan omslaan in iets heel anders dan opvoeding, namelijk ontsporing in een keiharde straatcultuur, waarbij met oppositioneel en grensoverschrijdend gedrag zogenaamd ‘respect’ van groepsgenoten en de samenleving wordt afgedwongen. Interessant genoeg komt met die ‘opvoeding’ binnen de straatcultuur opeens ook weer een element van andere falende opvoedstijlen naar boven: dergelijke groepen kennen een veel strakkere hiërarchie, inclusief machtsmiddelen, dan onder normale omstandigheden onder jongeren gangbaar is.

De rol van jongeren als beïnvloeders/medeopvoeders neemt toe naarmate de directe (opvoed)omgeving er te weinig in slaagt om een gezond opvoedklimaat te bieden. Ontsporingen roepen dan waarschijnlijk het beeld op dat deze rol van jongeren niet positief kan zijn. Dit laatste is echter een misvatting. Jongeren zijn elkaars sparringpartners in het ontdekken van de emotionele binnenwereld en de maatschappelijke buitenwereld. Los van het feit dat de omgang met leeftijdsgenoten bijdraagt aan de psychosociale ontwikkeling van jongeren, steunen en stimuleren jongeren elkaar in het socialisatieproces. Juist op de terreinen waar ouders minder sturingsmogelijkheden hebben (Naber, 2004). Peer groups spelen een grote rol in het losmakingsproces van het ouderlijk milieu en het vinden van een eigen identiteit (Malschaert & Traas, 2008).

De drijfveren van jongeren
Uit onderzoek (NJR, 2010a; Hoogervorst e.a, 2005) kan duidelijk worden afgeleid dat pogingen om het gedrag van jongeren te beïnvloeden, meer kans van slagen hebben naarmate beter op hun (onbewuste) drijfveren en motivatie wordt aangesloten. Hiervoor is het belangrijk om drie psychologische behoeften te onderscheiden en erkennen. Deze behoeften zijn aangeboren, fundamenteel en universeel (Vansteenkiste, 2010):

  • Autonoom mogen functioneren: vrij zijn naar eigen keuze te handelen.
  • In een sociale omgeving kunnen vertoeven waarin vertrouwen, aandacht voor elkaar, relationele verbondenheid en affectie aanwezig zijn: waardering voor je vaardigheden krijgen.
  • Competenties ontwikkelen: (leer)doelen bereiken.

Het is minstens zo belangrijk om ook rekening te houden met de verschillende stadia in ontwikkeling. Bij elke fase in de ontwikkeling horen andere ontwikkelingsdoelen en ook andere beperkingen in wat je aan een jeugdige kunt vragen. Om de invloed die jongeren op elkaar uitoefenen positief te benutten, kun je in activiteiten het groepsgevoel onder jongeren gebruiken. Laat jongeren zelf de sociale wenselijkheid van bepaald gedrag onder elkaar promoten.

NJR onderscheidt vier niveaus voor (pedagogische) interventies om via inzet van jongeren het opvoedklimaat te versterken. Deze zijn aan vier verantwoordelijkheidsniveaus gekoppeld:

  1. Jongeren beïnvloeden elkaar dagelijks en direct: dat is een gegeven. Het gaat er om positieve beïnvloeding te maximaliseren en negatieve beïnvloeding te minimaliseren. Jongeren dragen geen extra verantwoordelijkheid en alles speelt zich af in hun ‘primaire proces’: bij het onderhouden van hun normale contacten met leeftijdsgenoten.
  2. Jongeren zetten zich via activiteiten direct in voor het welbevinden van kinderen en jongeren. Hier zijn structuren opgezet en geleid door volwassenen, waarin de vrijwillige inzet van jongeren wordt gerealiseerd. Jongeren dragen daarin beperkte verantwoordelijkheid. Deze activiteiten zitten soms in hun primaire proces (bijvoorbeeld maatschappelijke stage), maar meestal niet. Het zijn activiteiten die naast hun gangbare dagelijkse dingen worden uitgevoerd.
  3. Jongeren krijgen in intensieve trainingen en ‘leiderschapsprogramma’s’ de bagage om volledige verantwoordelijkheid te nemen voor het verbeteren van het opvoedklimaat in hun directe omgeving. Zij treden daarin in ruime mate autonoom op en grotendeels binnen het eigen primaire proces, al kan een en ander ook vanuit de onder nummer twee genoemde activiteiten plaatsvinden of aangestuurd worden en deels buiten hun primaire proces vallen.
  4. Jongeren dragen volledige verantwoordelijkheid in collectief verband door het oprichten of runnen van een jongerenorganisatie (formeel of informeel) die zich richt op het steunen en positief beïnvloeden van leeftijdsgenoten. Deze meest vergaande variant ligt volledig buiten het eigen primaire proces.

Jongeren als buddy, coach of mentor
Hoe verhouden deze niveaus zich tot de mate waarin jongeren zich al dan niet willen inzetten als ‘vrijwilliger’? Gelukkig zien we dat het potentieel van jongeren als (mede)beïnvloeders in steeds meer buurten en wijken wordt benut. Immers, als jongeren zoveel invloed hebben op elkaars keuzes en gedrag, dan is het raadzaam om goed na te denken over hoe je jongeren kunt stimuleren om hun invloed te gebruiken om het leven van leeftijdsgenoten een positieve draai te geven (niveau 1). We zien ook dat jongeren in projecten zich volop inzetten als buddy, coach of mentor van kinderen en jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben (niveau 2). Daarnaast wordt er steeds meer geëxperimenteerd met het betrekken en medeverantwoordelijk maken van de ‘leiders’ van peer groups bij het positief beïnvloeden van het opvoedklimaat van leeftijdsgenoten. Hierbij wordt hun jong leiderschap positief ingezet, als rolmodel voor de directe omgeving (niveau 3). In onze projecten en die van anderen zien we dat dit kan en lukt. Door initiatieven en projecten waarin jongeren zien én laten zien dat zij potentieel hebben. Door hen stap voor stap medeverantwoordelijk te maken voor het welbevinden van hun vrienden en vriendinnen, neefjes en nichtjes en broertjes en zusjes, kan je het opvoedklimaat positief beïnvloeden, via jongeren zelf.

Iets goeds doen voor een ander
Maar dat brengt ons bij de (vooral onder volwassenen) heersende beeldvorming dat jongeren zich niet echt meer vrijwillig voor anderen willen inzetten. In media en onderzoek wordt immers veelal negatief geoordeeld over ‘de maatschappelijke betrokkenheid van jongeren’. Dit beeld behoeft op zijn minst nuancering. Jongeren geven zélf aan dat zij zich wel degelijk voor anderen of de (lokale) samenleving willen inzetten, maar dat dit een ander karakter heeft dan een langdurige verbondenheid aan een formele vrijwilligersorganisatie. Veel vrijwilligersorganisaties worstelen met deze houding van jongeren. Met name de jongerenorganisaties hebben hier de laatste jaren steeds meer op ingespeeld. Zij spreken niet meer over ‘vrijwilligerswerk’, maar over ‘iets goeds doen voor een ander’. Ook vragen ze niet op de eerste dag of de jongere een jaar lang iedere zaterdag komt opdraven, maar bieden ze kortlopende, resultaatgerichte projecten aan die aansluiten bij hun drijfveren (zoals identiteit- en persoonlijke ontwikkeling, genieten). Interessant hierbij is dat jongeren zelf aangeven dat wanneer zij iets goeds doen voor een ander, dit vooral vorm krijgt in sociale activiteiten (NJR, 2005). De rol van jongerenorganisaties als motor achter nieuwe vormen van inzet verdient dan meer aandacht, zeker gezien de veranderende wensen en behoeften van jeugdigen. Alleen al daarom is het belangrijk om de vraag te stellen die hoort bij niveau 4: welke rol spelen jongerenorganisaties in de pedagogische civil society?

De activiteiten van jongerenorganisaties hebben op meerdere manieren impact op lokaal niveau. Ten eerste worden activiteiten vaak in een buurt of wijk georganiseerd en zijn jongeren dus op lokaal niveau in de pedagogische civil society actief. Ten tweede doen jongeren mee aan landelijke of bovenlokale activiteiten van jongerenorganisaties, waarbij ze betrokken en deelgenoot worden van een sociaal vraagstuk, ervaringen opdoen en die ervaringen mee terugnemen en (al dan niet bewust) inzetten in hun eigen leefwereld. Ten slotte zijn er landelijk georganiseerde jongerenorganisaties die hun lokale afdelingen ondersteunen bij de realisatie van initiatieven die zich op leeftijdsgenoten richten. De infrastructuur van jongerenorganisaties, als vrijwillige verbanden waarin jongeren elkaar positief beïnvloeden, verantwoordelijkheid nemen voor elkaars welbevinden en hun competenties sterk ontwikkelen, biedt directe aanknopingspunten voor het versterken van hun eigen kracht. De praktijk wijst echter uit dat jongerenorganisaties, vooral de lokale, door hun vanzelfsprekende gebrek aan continuïteit heel kwetsbaar zijn.

Ten slotte
Eerder kwamen drie fundamentele behoeften aan de orde: autonoom mogen functioneren, waardering voor je vaardigheden krijgen en je competenties kunnen ontwikkelen. Deze drie worden het meest vergaand bediend in niveau 3 en 4. Maar voor veel jongeren zijn niveau 1 en 2 (eerst) meer geëigend. In alle gevallen geldt dat er een heldere richtlijn is om jongeren bij de pedagogische civil society te betrekken: geef ze de autonomie die ze aankunnen, de waardering die ze verdienen en de ontwikkelingsmogelijkheden waar ze aan toe zijn.

Bij deze benadering is het belangrijk dat interventies op een tactvolle wijze en door de juiste partijen worden ingezet, of het nu gaat om gemeenten, welzijnsprofessionals, docenten of ouders en jongeren zelf. Het vierde niveau vraagt ook om landelijke ondersteuning: krachtenvorming onder jongerenorganisaties zou meer gestimuleerd moeten worden, juist omdat deze organisaties kwetsbaar zijn. Het is een verantwoordelijkheid van het Rijk om zo’n landelijke structuur te versterken. En dat brengt ons bij het kader van dit essay: het ZonMw-programma Vrijwillige inzet voor en door jeugd. Gefinancierd door het Rijk en uitgevoerd door ZonMw, was dit een op allerlei terreinen succesvolle landelijke impuls voor het vergroten en versterken van de vrijwillige inzet van jongeren voor leeftijdsgenoten op lokaal niveau.

Dat neemt niet weg dat we expliciet aandacht willen vragen voor de rol van gemeenten als aanjagers van vrijwillige inzet voor en door jeugd. Het is belangrijk dat er meer aandacht komt voor de (non-formele en informele) rol van jongeren als beïnvloeders en steunpilaren van leeftijdsgenoten. Dat is het niveau waarop we ons als eerste moeten concentreren wanneer het gaat om het benutten van het potentieel van jongeren voor het versterken van de eigen kracht van hun leeftijdsgenoten.

Om vervolgens jongeren echt een rol te (kunnen) geven in je organisatie, initiatief of activiteit, moet je in relaties met jongeren investeren. Dit kost tijd en doorzettingsvermogen, maar de ervaring leert dat het effect en de betrokkenheid veel groter is naarmate organisaties die inspanning leveren. Het vraagt van organisaties dat zij jongeren daadwerkelijk de ruimte bieden en laten om hun eigen potentieel te benutten en vanuit dat potentieel verantwoordelijkheid te krijgen en te dragen. Hoewel dit in de literatuur gemeengoed lijkt, vraagt dit in de (soms weerbarstige) praktijk wel degelijk een omslag in denken en handelen van organisaties en professionals.

Dat betekent overigens niet dat jongeren ‘losgelaten’ moeten worden. Juist niet. Voor het succesvol werken met en voor jongeren zullen altijd bepaalde vormen van coaching/ondersteuning/kaders nodig zijn, zeker als het gaat om de opvoedingsvraagstukken in een ‘pedagogische civil society’. Je moet jongeren medeverantwoordelijk maken, maar niet zonder zelf duidelijk te zijn in je idealen en ambities. Die zouden namelijk wel eens de inspiratie kunnen zijn waar jongeren naar zoeken.

Bronnen

  • Hoogervorst, D., Nelis, H., et al (2005). YoungMentality. De verhalen achter de cijfers. Hoofddorp: Sanoma Uitgevers BV, Motivaction International BV, Young Works BV
  • Kesselring, M.C. (2010). Allemaal Opvoeders, webpublicatie 1: Theoretische verkenning. Verkregen op 3 april 2012 van http://www.allemaalopvoeders.nl.
  • Ketner, S., Flikweert, M. & Steketee, M. (2011). Van faciliteren naar verbinden. De pedagogische opdracht van het jongerenwerk. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
  • Malschaert, H., & Traas, M. (2008). Basisboek opvoeding. Culemborg: Centraal Boekhuis.
  • Naber, P. (2004). Vriendschap en sociale cohesie. De rol van leeftijdsgenoten in de opvoeding van jeugd. Den Haag: Hogeschool Inholland.
  • NJR (2005). Vrijwilligerswerk; Onderzoeksverslag NJR Panel. Utrecht: NJR
  • NJR (2010a). Drijfveren van jongeren. Onderzoeksverslag NJR Panel. Utrecht: NJR
  • NJR (2010b). Beleidsplan 2011-2015. Utrecht: NJR
  • Oenen, van S. & Westering, Yvonne van (2010). Een solide basis voor positief jeugdbeleid. Visiedocument 1.0. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
  • VansteenKiste, M. (2010). Kinderen/jongeren en motivatie: Wil je of moet je studeren en de regels volgen? Gent: Universiteit Gent.

[i] Zoals o.a. wordt verwoord door de staatssecretaris van VWS, Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, in een brief aan de gemeenten: ‘door een positieve benadering te kiezen – consequent uitgaan van kansen en eigen kracht van jongeren – wordt voorkomen dat gedrag automatisch wordt geproblematiseerd en kan dus het beroep op zorg worden tegengegaan.’

Tekst: Andrea Bos en Franke Roor

Posted
AuthorNJR