Afbeelding 2.jpg

De participatiesamenleving is aan de orde van de dag, wat valt jou als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau op?
“Vanaf het begin heb ik het moeilijk gevonden dat de participatiesamenleving tegenover de verzorgingsstaat kwam te staan. Want als je goed kijkt naar de verzorgingsstaat dan is meedoen en participeren hierin ook altijd de bedoeling geweest, ook voor degenen die kwetsbaar zijn. Alleen het tijdsgewricht van de verzorgingsstaat leidde tot ondersteuning als uitgangspunt. De debatten over de participatiesamenleving gaan meer uit van de andere kant, namelijk eerst kijken naar de zelfredzaamheid. Het zijn natuurlijk twee kanten van dezelfde medaille. Alleen dient de participatiesamenleving op een andere manier georganiseerd en geregeld te worden. Overigens denk ik dat het kabinet totaal niet verwacht had wat voor debat er zou ontstaan. Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer aan het kabinet gevraagd om hun visie te geven. Dit resulteerde in een brief van de Minister-president van anderhalf kantje, waarin eigenlijk helemaal geen visie stond. Die brief heb ik geanalyseerd en geconcludeerd dat daar vooral in stond wat de participatiesamenleving niet inhoudt: minder controle, minder van bovenaf opgelegd. Politiek gezien is het vooral een zoektocht naar minder beknelling, meer uitgaan van eigen kracht. Toch ontbrak duidelijkheid over wat de participatiesamenleving dan wel is in de ogen van het kabinet. Daardoor kan het een typisch polderbegrip zijn; de één legt het uit als eigen verantwoordelijkheid, de ander als solidariteit en een derde als buurmanschap. Dit betekent dat je veel preciezer in de definiëring moet zijn. Als SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau, red.) hebben we dit thema naar ons toegetrokken, om te onderzoeken wat de participatiesamenleving dan wel is. Dit heeft geresulteerd in het essay Rijk Geschakeerd . Wij hebben in dat essay gezegd: ‘het gaat om werk, het gaat om zorg, het gaat om vrijwillige inzet van mensen, maar het gaat ook om participeren in de democratie en het meepraten met de mensen die beleid en bestuur maken’. En misschien zijn er zelfs nog wel meerdere terreinen, die we niet onderscheiden hebben.

En om te kunnen bekijken hoe het er nu voor staat met de participatiesamenleving in Nederland, moet je de vraag beantwoorden: wat wil je bereiken op elk van die terreinen? Wat is je doel, je norm of je ideaal? En vervolgens wat heb je er voor nodig om dat te bereiken? Kijk, ik kan iets zeggen over het aantal ouderen dat kwetsbaar is en hulp nodig heeft. En vervolgens is het toch ook een politiek debat in hoeverre je voorzieningen wilt creëren of in hoeverre je zegt: ‘nee we vinden dit horen bij mantelzorg’. Die uitspraken zijn voor het SCP wat lastiger, maar dit is wel een boodschap aan de politiek, om de vraag te kunnen beantwoorden of de participatiesamenleving al bestaat, moet je er iets van vinden. En iedereen zweeft daar nog steeds om heen.”

Is dat nog steeds het geval?
“Ja, dat vind ik wel. En ik vind het goed als maatschappelijke organisaties, partijen als NJR en mensen in het jeugdveld, duidelijker het debat aangaan over ‘wat zou je dan willen bereiken’. We veranderen allerlei rechten van mensen op zorg en dingen rond de sociale werkplaatsen en ik begrijp dat dit heel veel boosheid en onzekerheid teweegbrengt. Het doel kan nooit een sociale werkplaats zijn. Het doel moet volgens mij participatie van mensen op de arbeidsmarkt zijn. Daar moet de politiek vervolgens wat van vinden; in welke mate dan, en wie? Ik denk dat de politiek nog iets meer, in plaats van het over de middelen te hebben, moet kijken naar wat ze willen bereiken. Daarnaast moet je in termen van onderwijs, arbeidsondersteuning, inspraak of whatever mee kunnen doen. Er moeten wel een aantal randvoorwaarden worden gecreëerd omdat niet iedereen het automatisch vanzelf red in die participatiesamenleving. Dan kan een sociale werkplaats alsnog een heel goede oplossing zijn!

Dus ja, als je dan de balans op zou moeten maken in het kader van jouw vraag, dan zie ik verschillende dingen. Als je kijkt naar de mantelzorg en de vrijwillige inzet in de zorg, dan moet je feitelijk constateren dat er zo’n 4,5 miljoen mensen mantelzorg verlenen, 1/3 ervan doet dit structureel. Dat betekent dat anderhalf miljoen mensen in Nederland zich zo’n 8 uur per week, gedurende een periode van 3 maanden of langer, vrijwillig inzetten. Daarnaast zijn er nog eens zo’n 2,5 miljoen vrijwilligers. Het gaat dus over zo’n 6 miljoen mensen, een fors deel van onze bevolking. Je kunt dan de vraag stellen of de aannames onder het overheidsbeleid – dat bij het afschaffen van een aantal ondersteunende maatregelen vanzelfsprekend een groter beroep via de keukentafel op die groep mensen gedaan kan worden – ook echt kloppen. Veel mensen geven aan graag meer te willen doen, maar dat dit niet altijd kan in verband met werk, geld en tijd. We zien dus een aantal belemmeringen, maar ook een positieve grondhouding van heel veel Nederlanders ten opzichte van vrijwilligerswerk. We doen dus al heel veel. En zeker in de afgelopen jaren, mede door het debat over de participatiesamenleving en het overheidsbeleid, wordt er - soms ook noodgedwongen – veel door mensen gedaan. Wel denk ik dat op sommige schouders wel erg veel zorgtaken neerkomen en dat het in de lucht houden van al die ballen (zorg, werk, zorg voor de kinderen) niet eindeloos gaat.

Daarnaast is er het terrein van én zorg én leren, de zogenaamde combinatiedruk. We weten redelijk hoe mannen en vrouwen van verschillende leeftijden hun dag indelen. Daarin zien we dat er knelpunten zijn. Ik ben dan ook heel erg blij over het debat van de heroriëntatie in het onderwijs, door de commissie Schnabel. Volgens mij gaat er veel veranderen om in die participatiesamenleving een leven lang leren en werken te kunnen combineren. Daar is nog veel voor nodig, ook in de mindset van mensen. Onderwijs zal volgens mij veel meer op onderwerpen gericht zijn, je moet je vaardigheden bijhouden en kwalificaties halen.

En als het over zeggenschap over je eigen leven, je wijk, de buurt en dus over de democratie gaat, dan vind ik dat we dat teveel verengen tot het politieke, terwijl het juist meer zou moeten gaan over maatschappelijke verbanden. De maatschappelijke democratie wordt nu een beetje overschaduwd door het politieke debat. Als je de participatiesamenleving serieus neemt gaat het ook over zeggenschap van mensen, in hun eigen buurt, op de school waar hun kinderen zitten. Dat zijn natuurlijk voorzieningen die we in de loop der jaren óf sterk hebben afgestoten, op de markt hebben gezet, óf in andere handen hebben gelegd waardoor dit best een lastig verhaal is. Hoe geef je dit nu vorm? Het is volgens mij een gemengd antwoord: ik denk dat Nederland per saldo gewoon een participatiesamenleving ís, op al die terreinen, maar dat zeker bij de omvorming van de ondersteunende voorzieningen van de verzorgingsstaat er een aantal vragen liggen die te maken hebben met:

  • Welke norm stel je collectief voor bijvoorbeeld mensen met beperkingen?
  • Wanneer ga je dingen regelen?
  • Wat is solidariteit?
  • Welke normen horen daarbij?

En het andere is gewoonweg de faciliterende kant van de overheid die daarbij hoort. Dus de participatiesamenleving vraagt ook om een participerende overheid. En die doet dat ook niet altijd. Door veel mensen wordt de overheid ervaren als een partij die vooral iets oplegt of verhindert, meer dan als iemand die met je oploopt of faciliteert.

Ten aanzien van jeugd en jongeren speelt bovenstaande denk ik, op al die terreinen een rol. Daarbij is het wel goed om op te merken dat jongeren veel ervaring en een soort mindset hebben die bij zo’n participatiesamenleving past. Het anders nadenken over arbeidscontracten, leren, werken en multitasken zit er denk ik veel meer bij jongeren in en dat past wel bij zo’n eigentijds begrip als de participatiesamenleving. Tegelijkertijd merk ik toch ook dat jongeren soms moeite hebben zich het voor te stellen. Zo gaf ik onlangs een college aan masterstudenten in Rotterdam, over de bredere trends in de samenleving en hoe dat van invloed is op de gezondheidszorg. Van de 100 mensen die in de collegezaal zaten, waren er een stuk of drie van mijn leeftijd, de rest was allemaal jonger. Dat valt op. Dus ik startte de discussie over leeftijd, de bevolkingsopbouw van Nederland als geheel en het verschil met de studenten in de collegezaal. Toen confronteerde ik de studenten met de discussie over het leven lang leren. Volgens mij zien collegezalen er over een jaar of vijf totaal anders uit. Dan zijn de drie oudere studenten niet meer de uitzondering, maar zijn studentengroepen qua leeftijd veel gemengder. Dat is toch de consequentie van het debat over de participatiesamenleving en het leven lang leren.”

Participatie speelt ook binnen de Jeugdwet een belangrijke rol. Wat is er nodig voor overheden, professionals en jongeren om binnen de context van de Nieuwe Jeugdwet met elkaar op een goede manier aan de slag te kunnen gaan?
“We hebben onlangs een essay geschreven over burgerparticipatie (in dit geval rondom de Omgevingswet) en de condities die het SCP als noodzakelijk ziet om burgerparticipatie van de grond te krijgen. Deze condities gaan ook op voor participatie van jongeren. Het gaat bijvoorbeeld over de informatie die je als overheid verstrekt, de begrijpelijkheid van deze informatie, de helderheid en procedures omtrent inspraakmomenten en de terugkoppeling van wat er met de inbreng gedaan wordt. Het zogenaamde ‘Mattheüseffect’ is daarbij ook van belang. Dat betekent dat het altijd een bepaald type jongere is die zich kandideert en uit naam van anderen spreekt. Je moet ervoor oppassen dat, doordat de inbreng vanuit een bepaalde groep komt, er geen ongelijke inbreng ontstaat. Een ongelijke inbreng zal er tot op zekere hoogte altijd zijn, het is van belang om je hiervan bewust te zijn.

In een ander onderzoek, Meer democratie, minder politiek, dat veel meer gaat over de democratie, concluderen we dat representatie of participatie helemaal niet zo’n tegenstellingen zijn. Voor sommige dingen wil je dat er een Jeugdraad of een platform bestaat, daar is het heel prettig dat jongeren zich met het beleid bemoeien. Maar veel jongeren hebben geen zin om over beleid mee te praten, en gelukkig maar. Deze jongeren willen misschien wel concreet hun steentje bijdragen. Bij Scouting bijvoorbeeld zijn er ongelooflijk veel vrijwilligers, waarvan sommige elke avond van de week bezig zijn om zich concreet voor jonge mensen in plannen, programma’s en leuke activiteiten in te zetten. De combinatie van representatie en directe participatie zie je in onze democratie terug, en het lijkt me ook iets wat je bijvoorbeeld in het jongerenwerk terugziet. Hoe je deze beide vormen met elkaar laat communiceren, en hoe je zorgt voor een juiste representatie van de achterban is een heel belangrijk iets.”

Hoe zorg je voor een juiste vertegenwoordiging?
"We hebben in ons laatste Sociaal en Cultureel Rapport een set van hulpbronnen gedefinieerd die mensen hebben om hun maatschappelijke positie te versterken. We zien dat er vier vormen van kapitaal zijn die mensen in meerdere of mindere mate hebben en die van invloed zijn op hun positie in de maatschappij:

  • Financieel kapitaal: inkomen of vermogen
    Doorgaans hebben jongeren wat minder daarvan ten opzichte van ouderen.
  • Persoonlijk kapitaal: gezondheid, fysiek en voorkomen
    Daar hebben jongeren over het algemeen heel veel van.
  • Sociaal kapitaal: netwerken
    Belangrijk om verder te komen in het leven.
  • Cultureel kapitaal: spreken van de taal, beheersing (digitale) vaardigheden, waardering door je omgeving.
    In- of uitsluiting speelt ook bij jongeren een rol.

Aan de hand van deze kapitaalmeetlat kun je de Nederlandse jongeren indelen. Je ziet dan dat de groep die veel van deze kapitaalvormen heeft, vaak hun plek innemen in representatieve organen. En dat diegenen die wat minder op deze meetlat scoren, een andere positie innemen. Zij zullen niet zo snel meepraten en misschien niet zo snel het gesprek met bijvoorbeeld een wethouder aangaan. Het is voor organisaties dus van belang om goed in beeld te hebben voor wie ze het werk doen en of het inderdaad gaat om het cirkeltje van hoogopgeleide blanke jongeren, of dat bestaande inspraakorganen de doelgroep niet goed representeren.

Hierbij speelt ook afkomst een rol. Als je het internationaal bekijkt hebben we in Nederland een redelijk egalitaire samenleving. Zo zit in ons onderwijssysteem een opwaartse mobiliteit. Ondanks dat zie je ook bij ons nog een hele sterke verbinding met wat ouders doen. Zo gaan kinderen van WO-opgeleide ouders, bijna allemaal naar de universiteit. Uit één van onze onderzoeken, Verschil in Nederland, blijkt ook dat leerkrachten de kinderen, onbewust, ook met deze bril beoordelen.

Om de verbinding te leggen met de participatiesamenleving; bovenstaande laat zien dat het heel belangrijk is om goed te overwegen welke instrumenten bij de moderne samenleving passen. Want die ongelijkheid a priori bevorderen, lijkt me niet een van de uitgangspunten van de participatiesamenleving. Je moet altijd op de een of andere manier gericht zijn, ook normatief, op het bestrijden van onrechtvaardigheid. Want onrechtvaardigheid leidt tot problemen in de samenleving en raakt met name kwetsbare mensen. Het is een opdracht aan de politiek om situaties waar onrechtvaardigheid het geval is, bij te stellen. Maar als diezelfde instituties ook voor onrechtvaardigheid zorgen, dan moet er wel iets gebeuren. Dat debat zou wel iets scherper gevoerd kunnen worden.”

De Jeugdwet biedt de kans om alle jongeren in Nederland te bereiken, ook de jongeren met wie het goed gaat. Desondanks is de focus nog vaak gericht op kwetsbaren en risicogevallen.
“In de evaluatie van de WMO hebben we gezien dat gemeenten wel veel met de zorg bezig zijn, maar soms groepen nog niet goed op het netvlies hebben, zoals mensen met geestelijke beperkingen. In de loop der jaren is het aandachtsveld verschoven naar risico’s en problemen rond jongeren, terwijl de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning, red.) ook van oorsprong een activerende wet is. Tijdens de evaluaties van de Wmo hebben we onder de aandacht gebracht dat het ook om activering als participatiemechanisme gaat. Daarnaast is het van belang om een soort variatie van participatie instrumenten te gebruiken. Die tien `beroepsburgers’ die tijdens een gemeenteraadsvergadering op de tribune zitten, bepalen voor heel veel mensen wat er gebeurd. De raadsleden reageren op deze burgers, terwijl deze burgers niet de hele gemeenschap vertegenwoordigen.”

Ken je voorbeelden waarin de participatie en representatie van jongeren wel goed geregeld zijn?
“Het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, red.) heeft een pilot omtrent de veiligheid van LHBT-jongeren op scholen uitgevoerd. Hierin ging het over zaken als; ben je uit de kast, kun je daar over praten, word je uitgescholden en hoe gaat de school daar mee om. Wij hebben deze pilot geëvalueerd en hebben onder andere gekeken naar wat het effect is als je op een bepaalde manier het gesprek met zo’n klas aangaat of als je een voorbeeld de klas inhaalt. We zagen, dat door jongeren het gesprek met elkaar te laten aangaan aan de hand van bijvoorbeeld een voorbeeld van buiten, het daadwerkelijk effect heeft gehad. Zelfs kinderen of jongeren die in eerste instantie alsmaar termen als ‘flikker’ gebruikten, gaven naderhand aan dat ze zich niet bewust waren van de impact van zulke woorden op hun klasgenoten. Door dit soort inzichten is hun gedrag aangepast.

Je kunt natuurlijk niet alles op het onderwijs afschuiven, maar dit is een voorbeeld.

In mei 2016 brengen we onze eerste rapportage over het sociale domein uit. En tot 2019 gaan we in ieder geval jaarlijks een rapportage uitbrengen waarin we verschillende voorzieningen en (vrijwilligers)initiatieven in kaart brengen.”

Heb je in jouw tijd als gemeenteraadslid van Hardinxveld-Giessendam jongerenparticipatie ingezet?
“Wij hebben een jeugdgemeenteraad ingesteld. En wat ik toen al een hele verkeerde reflex vond, was dat de jeugdgemeenteraad een politieke afspiegeling van de volwassen gemeenteraad moest zijn. Mijn stelling was dat jongeren misschien nog helemaal niet weten waar ze als ze mogen stemmen op gaan stemmen, dus koppel het juist los daarvan en laat jongeren meepraten. Er werd toen toch voor een afspiegeling van de gemeenteraad gekozen en de jeugdgemeenteraad heeft ook maar vijf jaar bestaan omdat het gewoon niet werkte. Dat is een voorbeeld van de oude instituties die nieuwe instituties proberen te vormen. Dit is jammer, want het kan ook anders. Je kunt dit soort instrumenten op een as zetten van meer tot minder geïnstitutionaliseerde tools. Zo’n jeugdgemeenteraad is vrij sterk geïnstitutionaliseerd. Binnen de kortste keren functioneert dat als een echte gemeenteraad. Terwijl je inspraak natuurlijk ook heel licht kunt houden door online platforms op te zetten.

Met name bij jeugdbeleid probeerde ik jongeren mee te laten praten. Dit vind ik heel waardevol, omdat ik denk dat het perspectief van jongeren echt voor een andere invalshoek zorgt. Daarnaast heb ik jarenlang op een school in mijn gemeente af en toe maatschappijleer gegeven. Op dit soort manieren probeer je een verbinding te leggen. Tevens heb ik via Scouting een redelijk groot netwerk in de jongerenwereld. Het is in het werken met jongeren belangrijk om mee te bewegen qua locatie, tijden en type activiteiten. Uit ons onderzoek naar vrijwilligerswerk en lidmaatschappen, Verenigd in Verandering, blijkt dat mensen niet meer zo makkelijk lid worden van een stichting of wat dan ook, terwijl ze wel voor activiteiten actief te maken zijn. Daarnaast is het voor met name jongeren belangrijk dat de activiteit aanspreekt. De afnemende ledenaantallen willen niet zeggen dat vrijwilligerswerk dood is, integendeel.

We zijn bijzonder snel ontkerkelijkt na de Tweede Wereldoorlog. Maar de vraag is natuurlijk: wat is daarvoor in de plaats gekomen? Als je naar de jeugdcultuur gaat kijken, is het heel interessant hoe symbolen en onderlinge verbinding een centrale rol spelen. Mijn ogen gingen open toen tijdens mijn opleiding, maatschappijsocioloog- en filosoof  prof. Roode sprak over de ontwikkelingen van nieuwe methodieken. Hij zei: ‘Het oogt soms vluchtiger, maar door die onlinemogelijkheden staan jongeren meer in contact met elkaar dan jullie ooit gehad hebben met je vrienden’. Dus je moet een ander frame hanteren bij de nieuwe generatie, en de vraag stellen: waar hebben mensen nieuwe behoeften liggen?"

Alle publicaties waaraan gerefereerd wordt:

Meer weten?
Kijk op de website van het Sociaal en Cultureel Planbureau voor meer informatie.
En volg het werk van het SCP via twitter of mail naar pers@scp.nl

Geïnterviewd: Kim Putters
Kim Putters is sinds juni 2013 directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, dat - gevraagd en ongevraagd -  sociaal-wetenschappelijk onderzoek verricht. Daarnaast zet Kim zich onder andere in als deeltijd hoogleraar beleid en sturing van de zorg in de veranderende verzorgingsstaat aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Posted
AuthorNJR