© Joris Lugtigheid

Op 5 november 2015 sprak NJR Professionals met Marc Dullaert over zijn drijfveren om zich dagelijks in te zetten voor het welzijn en geluk van alle kinderen en jongeren in Nederland en deelt hij concrete tips.

In 1989 hebben de Verenigde Naties het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, kortweg het Kinderrechtenverdrag, opgesteld. Nederland heeft het Kinderrechtenverdrag in 1995 ondertekend. In 2008 heeft Khadija Arib (PvdA) in de Tweede Kamer aangegeven dat er in Nederland ook een ombudsman moet komen die de naleving van het Kinderrechtenverdrag in de gaten houdt. Tegenstanders van dit voorstel brachten hier tegenin dat Nederland een aards paradijs is voor kinderen en jongeren. Dit is tot op zekere hoogte zeker het geval, met 85% van de Nederlandse kinderen en jongeren gaat het goed, maar voor 15% procent is dit helaas niet het geval. Het gaat hierbij om een half miljoen kinderen en jongeren die op de een of andere manier in de knel zitten. Doordat zij bijvoorbeeld leven onder de armoedegrens, slachtoffer zijn van kindermishandeling of geen goede toegang tot zorg krijgen. Voor deze kinderen is er veel winst te behalen in een correcte naleving van het Kinderrechtenverdrag.
In 2011 is de eerste Kinderombudsman van Nederland een feit.

Wat is uw drive om u als Kinderombudsman in te zetten voor het geluk en welzijn van kinderen en jongeren?
“Van origine ben ik een zakenman. Op een gegeven moment ben ik me daarnaast in gaan zetten voor een ontwikkelingsorganisatie. Tijdens dit werk werd ik geraakt door de leefomstandigheden van kinderen en jongeren in ontwikkelingslanden. Wat me altijd bij zal blijven is iets dat ik meegemaakt heb toen ik als tv-producent een documentaire aan het maken was in de buurt van een vluchtelingenkamp. ’s Ochtends werd ik wakker door een afschuwelijk gehuil. Het bleek om het gehuil van een moeder te gaan, met haar net overleden kind op schoot. Een paar dagen later heb ik mijn vrouw gebeld en haar gezegd dat we wat voor kinderen en jongeren in ontwikkelingslanden moeten doen. We hebben de Stichting KidsRights (Nederlandse kinderrechtenorganisatie die opkomt voor de positie van zeer kwetsbare kinderen overal ter wereld, red.) opgericht. Het werken voor het geluk en welzijn van kinderen en jongeren heeft mijn leven totaal overgenomen. Uiteindelijk heb ik mijn bedrijf verkocht om me hier volledig op te richten. Op een gegeven moment zei mijn dochter dat ik altijd met kinderen en jongeren in het buitenland bezig ben en dat ik ook eens wat voor de kinderen en jongeren in Nederland moest gaan doen. In diezelfde periode werd er iemand gezocht om de nieuwe functie van Kinderombudsman in te vullen. Hier zit ik dan, 4,5 jaar later. Dagelijks zet ik me in voor die 15% van de kinderen en jongeren met wie het nog niet goed gaat. In Nederland mag het dan relatief goed geregeld zijn, er is nog veel winst te behalen. Door de inzet van mijn hele team heeft ons werk een duidelijk gezicht gekregen in Nederland. Daarnaast hoop ik dat we tot nu toe een hoop hebben kunnen betekenen voor kinderen en jongeren in Nederland.”

Waarom is positief jeugdbeleid belangrijk en waar bestaat dit volgens u uit?
“Kijkend naar de uitgangspunten van positief jeugdbeleid – alle jongeren de best mogelijke kansen bieden om welzijn en geluk te ervaren en zich maximaal te ontplooien – dan kan ik me daar ongelooflijk achter scharen. Voor mij betekent het met name, het betrekken van jongeren. Jongeren hebben als ervaringsdeskundige echt wat te bieden. Daarnaast geeft het hen het gevoel dat ze gehoord en erkend worden als ze de kans krijgen om hun ervaringen en mening te delen. Dit sluit ook aan bij het Kinderrechtenverdrag waarin staat dat kinderen en jongeren het recht hebben om hun mening te laten horen. Het gebeurt nog te vaak dat bijvoorbeeld bij een echtscheidingsprocedure kinderen niet geconsulteerd worden. En zo kan ik nog een groot aantal andere voorbeelden noemen. Betrek jongeren niet alleen voor de sier, maar luister daadwerkelijk naar hen. Hiermee bedoel ik niet dat jongeren morgen met stemrecht in het parlement moeten zitten, maar ga met ze in gesprek. Als Kinderombudsman spreek ik heel regelmatig met jongeren, zo sprak ik pas nog met jongeren uit de Schilderswijk. Door deze gesprekken krijg je een ander beeld van een problematiek. Dat vind ik heel erg belangrijk. Van de frisse manier van kijken van jongeren, word ik zelf ook helemaal vrolijk en energiek. Het is gewoon een verarming als je hun perspectief niet meeneemt.”

Welk ideaalbeeld streeft u na?
“Pas in 1989 is het Kinderrechtenverdrag er gekomen. De erkenning dat kinderen en jongeren unieke personen zijn met eigen rechten en plichten bestaat pas 25 jaar. Naast het Kinderrechtenverdrag worden kinderen en jongeren volgens de Nederlandse grondwet als burgers gezien. Blijkbaar zijn jongeren tweederangs burgers. Professionals en ambtenaren die met jongeren werken zitten vaak in een bevoogdende houding en zien kinderen en jongeren als zielige en kwetsbare personen die zelf niet weten wat goed voor hen is. Ze benaderen kinderen en jongeren alsof ze met iemand van een andere planeet te maken hebben. Je merkt hoe die werelden uit elkaar liggen. Het is tijd voor een kinderen- en jongerenemancipatie, net zoals de eerdere homo- en vrouwenemancipatie. Het is tijd voor een paradigmashift, een andere manier van kijken. Het is tijd dat professionals en beleidsmakers de eigenheid en kracht van kinderen en jongeren erkennen. Hopelijk wordt deze nieuwe manier van kijken breed omarmd én geconcretiseerd en gematerialiseerd in beleid, wetten in wording en instituties in Nederland. Deze paradigmashift moet in de 21e eeuw gebeuren.”

Welke knelpunten ziet u in de praktijk?
“In mijn functie als Kinderombudsman ben ik een waakhond die de naleving van het Kinderrechtenverdrag in Nederland nauwlettend in de gaten houd. Af en toe laat ik mijn scherpe tanden zien, maar ik kan ook bijzonder aaibaar zijn. Ondanks dat ik kritisch ben, probeer ik altijd constructief te werken en met aanbevelingen en concrete oplossingen te komen.

Per 1 januari 2015 is de jeugdhulp gedecentraliseerd. Op zich sta ik achter de onderliggende uitgangspunten: het bieden van zorg op maat is verstandig. De jeugdhulp uit het verleden was ook niet altijd goed, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. De belangrijkste uitgangspunten van de decentralisatie zijn het verminderen van de regeldruk voor professionals  en het passend en op maat maken van de zorg en hulp voor kinderen en jongeren. Een jaar na dato constateer ik dat eerdergenoemde doelstellingen nog lang niet bereikt zijn. Sterker nog, de regeldruk voor professionals is alleen maar toegenomen. Zij zitten in een administratief moeras met 60.000 projectcodes. En wat nog erger is, is dat ik heel regelmatig gemeenten zie die op de stoel van de hulpverlener gaan zitten in het kader van kostenbesparing en organisatorische belangen. Met als gevolg dat kinderen en jongeren niet altijd de behandeling krijgen die het beste voor hen zou zijn. Hieraan zie je dat het institutionele en financiële belang regelmatig enorm van invloed is en in negatieve gevallen zelfs grote gevolgen kan hebben op de behandeling van het kind of de jongere. Daar maak ik me zorgen over. Dit was namelijk niet de bedoeling, maar wilden we juist voorkomen. De decentralisatie en hervorming zijn een marathon en geen sprint, daar ben ik me bewust van, maar je zal maar het kind zijn dat nu opgroeit en zorg nodig heeft.  

Ook zie ik dat kinderen en jongeren nog te weinig kansen krijgen om in beleid te participeren. Dit is een gemis want ze hebben juist hele goede ideeën. Deze ideeën zijn niet beter of slechter dan volwassenen, maar anders. Als er een ingrijpende wetgeving of regeling wordt ingevoerd die jongeren aangaat, dan moeten zij hier ten minste over worden geconsulteerd. Niet zozeer uit lippendienst, maar vanuit een oprechte interesse. Helaas is dit eerste nog te vaak het geval. Gelukkig zijn er ook gemeenten waar ik de oprechte interesse en het besef van de meerwaarde van de ervaringsdeskundigheid van jongeren zie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het ontwikkelen en het uitvoeren van het armoedebeleid. Gemeenten die een jongerenraad hebben die ze hierbij betrekken, voeren een heel ander beleid dan andere gemeenten. Dit komt omdat de jongeren uit een jongerenraad veel beter aan kunnen geven waar hun behoefte ligt. Deze behoeftes zijn namelijk vaak heel anders dan gemeenten hadden voorzien.

Ook in internationaal perspectief is het gebrek aan participatie van jongeren te zien. Als je erbij stilstaat dat één derde van de wereldbevolking minderjarig is, dan is het een raar gegeven dat jongeren niet betrokken worden bij de beslissingen die nu genomen worden en hun leven als volwassene direct of indirect zullen beïnvloeden. Als je dingen écht wilt veranderen, dan lijkt het me verstandig en logisch om jongeren juist bij deze plannen en veranderingen een rol te geven.”

Welke hoopgevende trends en ontwikkelingen ziet u waar gemeenten zich aan kunnen optrekken?
“Op eigen bodem zie ik gemeenten die werken met jongerenraden op het gebied van armoedebeleid. Hierbij gaat het om jongeren die helaas aan den lijve ondervinden of hebben ondervonden wat armoede is. Als ik het onaardig zeg, moet je bij het samenstellen van een jongerenraad ervoor uitkijken dat je niet alleen the best and the brightest, de jongeren die het beste gebekt zijn en het hoogstopgeleid, uitnodigt om mee te praten. Je hebt een afspiegeling nodig van de samenleving, met een brede set aan ervaringen. Het is moeilijk om zo’n raad evenwichtig vorm te geven, maar als je daar de rust en de tijd voor neemt dan krijg je wel de input die je wenst. Daarnaast moet je uitkijken dat de jongerenraad geen excuustruus naar buiten wordt, ‘moet je kijken hoe goed wij bezig zijn, wij hebben een jongerenraad’. Dan is het slechts een vorm en heeft het weinig inhoud.

Op internationaal niveau zie ik ook een concrete uitwerking van mijn stip aan de horizon. In Noorwegen hebben ze de kinder- en jeugdtoets. Dit betekent dat alle regelgeving en wetten in wording die repercussies hebben voor kinderen en jongeren, moeten worden voorgelegd aan een jeugdpanel om hun input te vragen. Beleidsmakers krijgen de kans om aan dit jeugdpanel te vragen waar ze op moeten letten of wat ze missen. De jongeren hebben geen beslissende stem, maar worden op een serieuze wijze geconsulteerd.”

Tips voor beleidsmakers en professionals?  
“Ik heb slechts één tip voor professionals en beleidsmakers: hoe druk je ook bent en hoe lastig het ook is, durf het gesprek met jongeren aan te gaan. Neem er de tijd voor. En doe dit niet voor de foto of de bühne. Het zal je uiteindelijk enorm voeden, stimuleren en helpen in het werk waar je mee bezig bent. En dat meen ik oprecht.”

Meer weten?
Kijk op de website van de Kinderombudsman voor publicaties.
En volg het werk van de Kinderombudsman via Twitter.

Geïnterviewd: Marc Dullaert.
Marc Dullaert is sinds 1 april 2011 Nederlands eerste Kinderombudsman. De Kinderombudsman controleert of de kinderrechten in Nederland worden nageleefd door de overheid, maar ook door private organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, jeugdzorg en de gezondheidszorg.