De drie-eenheid van het jeugdbeleid

Wanneer de visie van jongeren, professionals en overheid samenkomt.

Succesvol jeugdbeleid heeft alleen kans van slagen als er een sterke verbinding en interactie is tussen de belangrijkste betrokkenen: jongeren, professionals en beleidsmakers. Deze samenwerkingsrelatie noemen wij 'de drie-eenheid van het jeugdbeleid'. Het is van groot belang dat er bij het vormgeven van deze relatie uit wordt gegaan van wat jongeren ligt en daar op voort te bouwen.

Met de invoering van de nieuwe Jeugdwet ontstaat er een mooie kans om het werken in de drie-eenheid nog beter binnen gemeenten te verankeren. Dit is hét moment om jongeren, meer dan ooit, als medeproducent te zien, in plaats van als afnemers van diensten die door de overheid worden geleverd. Het mobiliseren van betrokkenheid en motivatie bij jongeren leidt tot beleid dat aansluit bij hen over wie het gaat en daarmee tot betere resultaten. Welke rol moet iedere schakel innemen en hoe stuurt de lokale overheid hier op aan?

Rolinhoud
De drie-eenheid is onmisbaar en zelfs een voorwaarde om impact voor en door jongeren te maximaliseren. Dit is alleen haalbaar als iedere schakel zijn rol goed weet in te vullen:

  • De rol van de overheid (bij ‘overheid’ kan zowel lokaal als landelijk gelezen worden – red.) richt zich in eerste instantie op het beschikbaar stellen van de benodigde voorzieningen en middelen voor het succesvol kunnen functioneren van de drie-eenheid.
  • De praktijkprofessionals van organisaties geven vanuit hun deskundigheid vorm aan de uitvoering: in producten en diensten voor jongeren en (professionele) opvoeders. 
  • Het is de rol van burgers (en dus ook van jongeren) om zowel zelfstandig als samen met organisaties te werken aan een positief opgroeiklimaat voor leeftijdsgenoten en andere doelgroepen in de maatschappij. 
  • Alle betrokkenen zijn samen verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een werkwijze die aansluit bij de verwachtingen en behoeften van alle individuen. 
  • De overheid legt deze keuzes vast en voert dit door in al haar (jeugd)beleid. 

Beheerders en bewakers
Naast deze rolinhoud zijn alle betrokkenen de beheerders en bewakers van het proces. Jongeren en organisaties sporen de overheid aan om strategie en middelen op orde te hebben. Organisaties en de overheid moedigen jongeren aan om een rol in de uitvoering van de strategie op zich te nemen. Zij zorgen voor informatie, inspiratie en de handvatten om dit te kunnen en willen doen. Jongeren en de overheid zien erop toe dat organisaties kwalitatief en doelmatig te werk gaan. Hoe beter deze onderlinge relaties worden onderhouden, hoe beter de resultaten van jeugdbeleid. 

Aansturingsopties
In het vormgeven en realiseren van succesvol en positief jeugdbeleid nemen we de potentie van jongeren als uitgangspunt. Niet alle praktijkprofessionals, beleidsmakers en beleidsbepalers werken direct met jongeren. Toch zijn er verschillende opties waarbij de drie-eenheid kan aansturen op het samenkomen van de visie van jongeren, professionals en overheid: 

  1. Beleidsprocessen
    Het stellen van doelen met betrekking tot de betrokkenheid van de drie-eenheid in de ontwikkeling en toetsing van beleid. We adviseren om minimaal twee keer per jaar als drie-eenheid bij elkaar te komen.  
  2. Beleid gestuurde Contract Financiering – BCF (opdracht- en subsidieverstrekking)
    Beleidsmakers kunnen in hun opdrachtverstrekking als voorwaarde meenemen dat uitvoerende partijen zowel jongeren als de overheid betrekken bij zowel de uitvoering als de evaluatie van hun programma’s.
  3. Primaire uitvoering (makelaarschap)
    Beleidsmakers zijn meer bij de uitvoering betrokken en treden op als verbinder (makelaar) tussen jongeren en overige ambtenaren, tussen jongeren en uitvoerende organisaties en tussen ambtenaren en uitvoerende partijen.

Conclusie
In de drie-eenheid van het jeugdbeleid staat het leren in de praktijk en het delen van ervaringen, belevingen en inzichten centraal. Dit is niet alleen belangrijk om de methodische en procesmatige kwaliteit rondom het opgroeiklimaat van jongeren te verbeteren, maar ook om aantoonbaar te maken hoe en waarom het beleid werkt. Dit vraagt om een hoge mate van vertrouwen van professionals en beleidsmakers in de potentie die jongeren in zich hebben, maar leidt uiteindelijk tot betere resultaten.